Twee rode en acht witte rozen
Dat leg ik dit jaar bij je neer.
19 mei, al achtentwintig jaar is het een dag waar ik niet naar uitkijk. Een beladen dag die het verdriet van weleer weer naar boven brengt. De herinneringen alsof het gisteren was. Je strijd tegen kanker was oneerlijk. Nadat je als kind de ziekte had overwonnen, probeerde je van je leven te genieten zoals iedere puber dat doet. En toch was er altijd dat stemmetje in je achterhoofd. Het volgde je overal. Jij genoot op een andere manier. Toen begreep ik het nog niet. Intussen eens te meer, want ik ben op eenzelfde manier van het leven gaan genieten. Een manier waarin je beseft dat ieder moment het laatste kan zijn.
Het nieuws dat insloeg als een atoombom
Iedereen was erop voorbereid, en net zoveel totaal ook niet. De kanker was terug. Je zou de strijd weer aangaan, en iedereen zou met je meestrijden. Familie, vrienden, voetbalmakkers, de supportersclub van Anderlecht. Iedereen. En uiteindelijk zag alles er goed uit. De behandeling sloeg aan, je reageerde goed, en op die laatste dag kreeg je zelfs het geweldige nieuws dat je naar huis mocht. Dat laatste is nooit gebeurd, want die nacht bleek de strijd te zwaar.
Een wereld die stilstaat
Ik herinner me nog perfect het moment dat ik het nieuws te horen kreeg. De grond die onder mijn voeten leek te daveren, mijn hart dat in tienduizenden stukken brak, een hemel die leek open te breken. En nog het meest van alles? Mijn vreselijke woede. Waarom was de wereld zo wreed? Waarom werd de mooiste persoon die ik ooit had gekend zijn leven ontnomen? Je was, zonder enig tegenspreken, de zachtaardigste. Lief tot in het diepste van je hart, zorgzaam en vergevingsgezind.
Onze belofte aan elkaar
Ik denk weer terug aan die ene nacht. De belofte die we aan elkaar gaven. We waren op HSV. In de verte tekent de donkere schaduw van het abdij zich af in het schijnsel van de maan. Binnen weerklinkt het luide bonken van de feestmuziek. Jij zou je richten op die kanker, je zou het overwinnen, en dan zouden we elkaar onze toekomst geven. Jij en ik. Voor altijd. Dat was wat we zeiden. Dat was wat we dachten. En het was wat we allebei wilden. Onze liefde leek voor velen nog jong, onbezonnen. Toch weet ik meer dan wie ook, dat het echt was. Een belofte die we niet na kunnen komen. Dus sta ik hier, net als ieder jaar, en leg ik twee rode en acht witte rozen neer in het gras. Ik weet niet meer hoe je stem klinkt, dus klamp ik me vast aan die speelse knipoog die je me gaf.